ik geef om en aan mezelf toe
ik ben boos, en bitter
gun de ander niets of minder
ik laat tranen uit frustraties en ze vallen, verdampen sissend op mijn hete plaat van verdraagzamheid
ik ben moe, dat ook
de wereld is oneerlijk en fout
af en toe mogen we dankbaar op onze knie vallen
de natte asfalt omarmend
omdat er, ocharme, één zonnestraal vanachter de wolken te voorschijn kwam
was er te laat voor
ging naar haar toe en ze verdween meteen
had haar nooit kunnen bereiken
enkel van ver kunnen opmerken
er bewonderend naar verlangen
zonder oordeel of angsten
het had geen zin gehad ernaar toe te stormen, was er toch te laat voor
boos en bitter
gefrustreerd is misschien nog beter
vol woede en verdriet pruttelen
niet iemand die omkijkt wanneer ik overloop
heb ze intussen al allemaal afgeleid, verleid of verjaagd
de ander zal me altijd overstijgen,
en daar zou ik naast moeten leven
ik ben zoooo boos
op alles en iedereen, die dat ook is maar niet genoeg,
die dat helemaal niet is, uit privilege, onkunde of toegeving
het maakt niet uit
ik ben zooo boos
op tijd die ik niet krijg en dan maar moet nemen
ongeduld, onbegrip, onvermogen dat geniepig zit in mijn genen
ik ben zoo boos zooo zooo boos
dat ik geen kennis kreeg, en niemand trouwens
maar dat sommigen het blijkbaar wel al weten en hebben en geraken
en ik eerst nog moet vergeven, leren en kraken
ik ben zoo boos
dat het vanzelfsprekende mij te moeilijk afgaat
en niets dat eigenlijk is 'vanzelfsprekend'
niets spreekt voor zich
als ik er niet om vraag of bedel, wordt mij niets gegeven
en ik ben dankbaar en ik heb geluk, mag mijn twee pollen kussen voor dit leven maar het vermoeit me en verbittert me
knaagt aan mijn blijdschap en mijn vriendschap
met mezelf en de ander
het maakt me ruw; er wordt geschreeuwd op het kind in mij
en het weent
ik ben niet jaloers, eerder verslagen
ik ben boos, zo boos
ziedend zelf
Reacties
Een reactie posten